Projects

NESDA

HETODEP - FP7-People/Marie Curie CIG project

RADAR-CNS

 

HETODEP

HETODEP wordt gefinancierd door een subsidie van de Europese Unie - FP7-Marie Curie Career Integration Grant (PCIG12-GA-2012-334065).

On February 5th 2017, I was on the Dutch scientific radioshow 'Baas in eigen brain' on the episode 'V. Depressions are not all alike', and talked about my work on depressive subtypes. You can find the podcast of this interview here.

 

Publications linked to HETODEP (scroll voor Nederlandse samenvattingen naar beneden):

Leptin Dysregulation Is Specifically Associated With Major Depression With Atypical Features: Evidence for a Mechanism Connecting Obesity and Depression. Y Milaneschi, F Lamers, M Bot, ML Drent, BW Penninx. Biol Psychiatry 2017 May 1;81(9);807-814. doi: 10.1016/j.biopsych.2015.10.023. Click here for the Pubmed record & abstract.

Serum proteomic profiles of depressive subtypes. F Lamers, M Bot, R Jansen, MK Chan, JD Cooper, S Bahn, BWJH Penninx. Trans Psychiatry, 2016 Jul 12;6(7):e851. doi: 10.1038/tp.2016.115. Click here for the Pubmed record & abstract.

Six-year longitudinal course and outcomes of subtypes of depression. F. Lamers, ATF Beekman, AM van Hemert, RA Schoevers, BWJH Penninx. British Journal of Psychiatry, 2015, DOI:bjp.bp.114.153098. Click here for the Pubmed record & abstract.

Serum proteomic profiling of major depressive disorder. Bot M, Chan MK, Jansen R, Lamers F, Vogelzangs N, Steiner J, Leweke FM, Rothermundt M, Cooper J, Bahn S, Penninx BWJH. Translational Psychiatry 01/2015; 5:e599. DOI:10.1038/tp.2015.88, 2015. Click here for the Pubmed record & abstract.

Polygenic dissection of major depression clinical heterogeneity. Milaneschi Y, Lamers F, Peyrot WJ, Abdellaoui A, Willemsen G, Hottenga JJ, Jansen R, Mbarek H, Dehghan A, Lu C, Boomsma DI, Penninx BW. Mol.Psychiatry e-pub ahead of print 30 June 2015; doi:10.1038/mp.2015.86. 2015. Click here for the Pubmed record & abstract.

The effect of FTO rs9939609 on major depression differs across MDD subtypes.Milaneschi Y, Lamers F, Mbarek H, Hottenga JJ, Boomsma DI, Penninx BW.  Mol.Psychiatry 19[9], 960-962. 4-2-2014. Click here for the Pubmed record.

Taking Personalized Medicine Seriously: Biomarker Approaches in Phase IIb/III Studies in Major Depression and Schizophrenia. Murck H, Laughren T, Lamers F, Picard R, Walther S, Goff D, Sainati S.  Innov.Clin.Neurosci. 12[3-4], 26S-40S. 2015. Click here for the Pubmed record & abstract.

 

Nederlandse samenvattingen HETODEP gerelateerde-artikelen:

Een Nederlandse samenvatting van het paper 'Leptin Dysregulation Is Specifically Associated With Major Depression With Atypical Features: Evidence for a Mechanism Connecting Obesity and Depression' is gepubliceerd in het Tijdschrift voor Psychiatrie (Lamers F, Milaneschi Y, Tijdschrift voor Psychiatrie 58:548. Leptineresistentie: de schakel tussen obesitas en atypische depressie?)

 

Samenvatting Serum proteomic profiles of depressive subtypes

 F Lamers, M Bot, R Jansen, MK Chan, JD Cooper, S Bahn, BWJH Penninx. Trans Psychiatry, 2016 Jul 12;6(7):e851. doi: 10.1038/tp.2016.115.

Het is bekend dat depressie een erg heterogene stoornis is en er is in toenemende mate bewijs dat er biologische en genetische verschillen bestaan tussen subtypen van depressie. Ons doel was om verschillen in eiwit profielen in het bloed serum te vergelijken tussen atypische en melancholische depressie, en ze tevens te vergelijken met een groep gezonde personen. Hiervoor gebruikten we data van de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst van 414 gezonde personen en 231 personen met melancholische en 128 personen met atypische depressie. Deze subtypen waren in eerder onderzoek vastgesteld met data-gedreven analyse. Er werden 171 eiwitten gemeten in serum. In lineaire regressie analyse die gecorrigeerd was voor potentiele confounders en met correctie voor mulitple testing, vonden we dat er 9 eiwitten verschilde in hun serum waarden tussen atypische en melancholische depressie, en 23 eiwitten verschilden tussen atypische depressie en controles. Acht van de 9 eerder genoemde markers overlapten met de 23 markers die verschilden tussen atypische depressie en controles. Deze markers (mesotheline, leptine, IGFBP1, IGFBP2, FABPa, insuline, C3 en B2M) zijn betrokken bij cellulaire communicatie en signaal transductie, en bij de immuun respons. Er waren geen verschillen in waarden van eiwitten tussen melancholische depressie en controles. Alhoewel deze studie methodologische limitaties heeft (ontbreken van een replicatie sample en onzekerheid over de invloed van missende waarden), kan gezegd worden dat aan atypische depressie gelinkte eiwitten betrokken zijn met inflammatoire en metabole processen, wat de hypothese ondersteunt dat atypische depressie mogelijk een syndroom is dat gekarakteriseerd wordt door metabole ontregelingen en ontstekingsprocessen. Deze resultaten onderschrijven het belang en relevantie van het onderzoeken van depressie subtypen in biologisch en genetisch onderzoek, en in studies naar behandeling van depressie.

 

Samenvatting Six-year longitudinal course and outcomes of subtypes of depression

F Lamers, ATF Beekman, AM van Hemert, RA Schoevers, BWJH Penninx. British Journal of Psychiatry, 2015, DOI: bjp.bp.114.153098

Achtergrond: Het is bekend dat niet elke depressie hetzelfde is en het wordt steeds duidelijker dat verschillende typen depressie (zoals bv. zogenaamde symptoomprofielen: typen op basis van een indeling van de aanwezige symptomen) andere biologische karakteristieken hebben. Onduidelijk is nog in hoeverre verschillende typen van depressie op basis van symptoomprofielen een ander beloop hebben over de tijd. Het doel van deze studie was dan ook het in kaart brengen van beloop van verschillende symptoomprofielen van depressie.

Methoden: Er werd gebruik gemaakt van gegevens van de NESDA studie. Data verzameld bij aanvang van de studie en 2, 4 en 6 jaar na aanvang van de studie bij 600 gezonde personen en 716 personen met een depressie onderverdeeld in 3 groepen: een melancholisch symptoom profiel (o.a. gekenmerkt door minder eetlust en gewichtsverlies), een atypisch symptoom profiel (o.a. gekenmerkt door toegenomen eetlust en gewichtstoename) en een mild symptoom profiel (voornamelijk gekenmerkt door een lagere ernst van depressie). Er werd onder andere gekeken naar het hebben van diagnoses van depressie en angst, suïcidale gedachten, BMI, en metabool syndroom.

Resultaten: Het milde type depressie had over het algemeen een gunstiger beloop dan de melancholische en atypische groepen. De melancholische en atypische groepen verschilden weinig van elkaar op de klinische uitkomsten, behalve dat in de melancholische groep meer suïcidale gedachten en meer angstklachten hadden gedurende de vervolgmetingen. De atypische groep – die bij aanvang van de studie al een hogere BMI had dan de andere groepen – bleef het hoogste BMI hebben en het meest vaak metabool syndroom te hebben over de tijd heen, maar verschillen in BMI en metabool syndroom tussen de drie groepen werd wel kleiner over de tijd heen. Het verschil in metabool syndroom was na 6 jaar niet meer statistisch significant tussen de atypische en de melancholische groep.

Conclusie: Het beloop van verschillende depressie typen liepen grotendeels parallel aan elkaar, waarbij ernst van de depressie voor het grootste verschil tussen groepen zorgde. De slechtere somatische gezondheid van de atypische groep bij aanvang van de studie, bleven bestaan gedurende de vervolgmetingen, terwijl de melancholische groep langer last bleef houden van suïcidale gedachten en angst.

 

Samenvatting: Serum proteomic profiling of major depressive disorder

Bot M, Chan MK, Jansen R, Lamers F, Vogelzangs N, Steiner J, Leweke FM, Rothermundt M, Cooper J, Bahn S, Penninx BWJH. Translational Psychiatry 01/2015; 5:e599. DOI:10.1038/tp.2015.88, 2015.

Ondanks dat er al veel onderzoek naar gedaan is, weten we eigenlijk slechts weinig van de mechanismen die leiden tot depressie. In een onderzoek dat gebruik maakte van data van 1589 deelnemers van de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA), trachtten we dit inzicht te vergroten. We onderzochten in bloedserum de aanwezige hoeveelheid van een groot aantal eiwitten dat betrokken is bij verschillende processen in het lichaam in 687 personen met een depressie, 482 personen die in het verleden een depressie hebben gehad, en 420 personen zonder depressie. Meestal worden er slechts enkele eiwitten tegelijk onderzocht, maar in deze studie keken we naar 171 eiwitten tegelijk. Van de 171 onderzochte eiwitten verschilden de aanwezige hoeveelheid hiervan in 28 markers tussen personen met en zonder een depressie. Van tien (deels overlappende) eiwitten verschilde de aanwezige hoeveelheid tussen personen die in het verleden een depressie hadden gehad en personen zonder depressie. Deze verschillen konden niet verklaard worden door verschillen in antidepressiva gebruik en aanwezige angst stoornissen. Van een 16-tal markers kon in een onafhankelijke dataset van personen met en zonder depressie gekeken worden of ook hier hetzelfde verband zichtbaar was; voor zeven eiwitten was dit inderdaad het geval. De gevonden eiwitten zijn in het lichaam betrokken bij cel communicatie en het doorgeven van signalen binnen een cel, immuun response (de reactie van het lichaam op lichaamsvreemde indringer, bv. een virus of bacterie) en eiwit stofwisseling. Omdat de meeste bevindingen werden gedaan in personen met een huidige depressie, bestaat het vermoeden dat deze bevindingen verband houden met een acute depressieve staat. De bevindingen van deze studie kunnen bijdragen aan het identificeren van biomarkers die gebruikt kunnen worden voor het diagnosticeren van depressie en bijdragen aan het vergroten van onze kennis over het ontstaan van depressie.

 

Samenvatting: Polygenic dissection of major depression clinical heterogeneity.

Milaneschi Y, Lamers F, Peyrot WJ, Abdellaoui A, Willemsen G, Hottenga JJ, Jansen R, Mbarek H, Dehghan A, Lu C, Boomsma DI, Penninx BW. Mol.Psychiatry e-pub ahead of print 30 June 2015; doi:10.1038/mp.2015.86. 2015.

De processen die op moleculair niveau voor een depressie zorgen, zijn grotendeels onbekend. Ook genetische studies hebben tot nu toe slechts weinig succes geboekt. Dit kan het gevolg zijn van het feit dat niet elke depressie hetzelfde is en dat verschillende depressies misschien ook wel verschillende oorzaken (en genetische basis) hebben. In deze studie werden twee typen depressie, de zogenoemde atypische depressie en typische depressie, onderzocht op verschillen in hun genetisch profiel. Hiervoor werden data gebruikt van 1530 deelnemers van de NESDA studie en 1700 gezonde personen uit het Nederlands Tweelingen Register. We onderzochten de genetische overlap van de twee subtypen van depressie met een zogenoemde ‘genomic profile risk score’ (GPR score)- een index die het genetisch risico op een bepaald kenmerk weergeeft. Er werden GPRS berekend voor de psychiatrische stoornissen:depressie, bipolaire stoornis, en schizofrenie en voor BMI, CRP (een ontstekingsfactor), en triglyciden (vetten in het bloed). Resultaten lieten zien dat er inderdaad verschillen waren in genetische profielen tussen de twee typen depressie. Typische depressie hing sterk samen met de GPR score van schizofrenie, terwijl atypische depressie geassocieerd was met de GPR score voor BMI en triglyceriden. Soortelijke resultaten werden gevonden wanneer mensen met depressie werden ingedeeld op basis van een enkel symptoom van depressie, namelijk toe of afgenomen eetlust/gewicht. Uit deze studie kan geconcludeerd worden dat typische en atypische depressie een gedeeltelijk verschillend genetisch profiel hebben. Het gebruik van dergelijke subtypen van depressie kan het psychiatrisch genetisch onderzoek mogelijk verder helpen in de zoektocht naar de oorsprong van depressie.

 

Samenvatting The effect of FTO rs9939609 on major depression differs across MDD subtypes.

Milaneschi Y, Lamers F, Mbarek H, Hottenga JJ, Boomsma DI, Penninx BW.  Mol.Psychiatry 19[9], 960-962. 4-2-2014.

Deze publicatie betreft een ingezonden brief naar aanleiding van een studie die aantoonde dat een variant van het FTO gen –een gen geassocieerd met obesitas en vetmassa- samenhing met het hebben van een lagere kans op het hebben van een depressie. In de brief hebben we uiteengezet dat het bij genetisch onderzoek naar depressie belangrijk is om subtypen van depressie te evalueren. Dit hebben we ondersteund met resultaten van een analyse waarin we de samenhang van de betreffende variant van het FTO gen met twee subtypen van depressie (atypische en typische depressie) onderzochten. We vonden dat alleen atypische depressie (gekenmerkt door o.a. toegenomen eetlust en gewicht) samenhing met de variant van het FTO gen. Deze resultaten laten zien dat het onderscheiden van subtypen van depressie belangrijk is in genetisch onderzoek.

 

Samenvatting: Biomarker Approaches in Phase IIb/III Studies in Major Depression and Schizophrenia.

Murck H, Laughren T, Lamers F, Picard R, Walther S, Goff D, Sainati S. Taking Personalized Medicine Seriously: Innov.Clin.Neurosci. 12[3-4], 26S-40S. 2015.

Dit artikel is geschreven naar aanleiding van het symposium "Taking Personalized Medicine Seriously-Biomarker Approaches in Phase IIb/III Studies in Major Depression and Schizophrenia", die werd gehouden  tijdens het 10th  Annual Scientific Meeting of the International Society for Clinical Trials Meeting (ISCTM) in Washington, DC, USA, februari 18 -20, 2014. Mijn bijdrage aan dit symposium en het paper was het samenvatten van de kennis die binnen het NESDA cohort is opgedaan over subtypen van depressie en biologische metingen zoals bijvoorbeeld ontstekingsfactoren en het stresshormoon.